Bij een zoektocht langs de Westerschelde zijn maar liefst 390 rupsen van het kaasjeskruiddikkopje gevonden. Op 2 oktober werden de rupsen in drie uur tijd geteld op een dijktraject van 1,5 kilometer. Een bijzondere vondst van een vlinder die bezig is aan een opvallende terugkeer in Nederland.
Van verdwenen vlinder naar zuidelijke verschijning
Het kaasjeskruiddikkopje verdween in 1953 uit Nederland. Pas in 2009 werden weer exemplaren gemeld, in Zuid-Limburg. Daar breidde de soort zich vervolgens uit. In 2018 verscheen de vlinder ook in Zeeuws-Vlaanderen. Inmiddels komt het kaasjeskruiddikkopje in heel Zeeland voor en zijn er ook waarnemingen uit Zuid-Holland en West-Brabant.
Meer over het kaasjeskruiddikkopje

De uitbreiding past bij het warmteminnende karakter van deze vlinder. De opwarming van het klimaat speelt daarbij waarschijnlijk een belangrijke rol. Het kaasjeskruiddikkopje voelt zich thuis op warme, droge plekken, zoals graslanden, hellingen, strandjes, bermen en terreinen waar de bodem regelmatig wordt verstoord. In Zuid-Limburg leeft de soort onder meer op kalkgraslanden; in Zeeland zijn dijken en polders belangrijke leefgebieden.
In Nederland is dus veel potentieel geschikt leefgebied te vinden. Omdat het kaasjeskruiddikkopje bovendien graag rondzwerft, is de verwachting dat de vlinder de komende jaren op meer plekken zal opduiken. Op korte termijn ligt uitbreiding in het zuiden van het land het meest voor de hand, maar opletten loont overal. Er zijn bijvoorbeeld al incidentele waarnemingen uit Midden-Brabant en zelfs uit Arnhem.
Een vlinder die lang te zien kan zijn
Het kaasjeskruiddikkopje vliegt meestal in twee generaties per jaar, en in warme jaren soms in drie. De eerste generatie vliegt van ongeveer half april tot half juni. De tweede verschijnt vanaf eind juni en vliegt door tot midden augustus. Als het najaar warm genoeg is, kan er van eind augustus tot begin oktober nog een kleine derde generatie verschijnen. Dit jaar was die laatste generatie vooral in Zuid-Limburg opvallend sterk.
Ook de rupsen zijn een groot deel van het jaar te vinden. Het kaasjeskruiddikkopje overwintert als volgroeide rups in de strooisellaag. In het voorjaar verpopt de rups zich en verschijnt de nieuwe vlinder.
Vrouwtjes leggen hun eitjes bij voorkeur op jonge waardplanten. Dat zijn planten waarop de rupsen kunnen leven en eten. Omdat jonge planten op verschillende momenten en plekken groeien, moet iedere generatie opnieuw geschikte planten zien te vinden. De eitjes worden afzonderlijk op de bovenkant van een blad gelegd. De rups vouwt vervolgens een blad samen en leeft daarin verscholen.
Zelf op zoek naar rupsen
Wie het kaasjeskruiddikkopje wil ontdekken, kan op zoek gaan naar kaasjeskruid. Bekijk de planten goed op aangevreten bladeren. Vraatsporen kunnen een aanwijzing zijn dat er rupsen aanwezig zijn. Kijk vervolgens of je ook een rups of een dichtgevouwen blad kunt vinden, dat is ok een aanwijzing voor het kaasjeskruiddikkopje. Met een beetje geduld en een goed oog kun je dus zelf op zoek naar deze bijzondere soort.
Let wel op: vraat aan kaasjeskruid is niet automatisch het werk van het kaasjeskruiddikkopje. Ook rupsen van andere vlinders, zoals de huismoeder en de distelvlinder, eten van deze plant. Daarnaast is kaasjeskruid voedsel voor de rups van de zeldzame bleekschouderuil.

De vondst langs de Westerschelde laat zien hoeveel rupsen er op een geschikte plek aanwezig kunnen zijn. Het kaasjeskruiddikkopje is nog lang niet overal in Nederland te vinden, maar zijn opmars is duidelijk. Wie weet duikt deze kleine vlinder binnenkort ook bij jou in de buurt op.