Vliegtijd & gedrag
Begin mei-eind oktober in twee, mogelijk drie generaties. De vlinders worden soms rustend aangetroffen op bladeren van planten onder naaldbomen. Ze kunnen uit de takken van naaldbomen worden geklopt en komen goed op licht.
Verspreiding in Nederland
Trends
De grafiek toont de populatietrend van de soort op basis van tellingen binnen het NEM‑meetnet Nachtvlinders. Wanneer de grafiek leeg is, betekent dit dat de soort in de afgelopen drie jaar op te weinig meetpunten is waargenomen om een betrouwbare trend te kunnen berekenen. Komt de soort bij jou in de buurt voor en wil je tijdens de vliegtijd eens per twee weken met een lichtval tellen en de gegevens invoeren op meetnet.vlinderstichting.nl? Stuur dan een e‑mail naar meetnet@vlinderstichting.nl om je aan te melden als teller.
Levenscyclus
Rups: september-mei. De soort overwintert als jonge rups op de waardplant en verpopt zich in de strooisellaag.
Herkenning
Kenmerken vlinder
Voorvleugellengte: 17-21 mm. Van deze spanner komen rode en groene vormen voor; in Nederland en België wordt vooral de groene vorm waargenomen. De kleur van de vleugels wordt bepaald door de voedselplant: spar (rood) of den (groen). Beide vormen hebben op de voorvleugel een donkerder middenveld met aan beide zijden een iets gebogen donkere, met licht afgezette dwarslijn. De binnenste dwarslijn is vaak onduidelijk, vooral bij donkere exemplaren. De buitenste dwarslijn loopt door over de achtervleugel.
Gelijkende soorten vlinder
De geelbruine bandspanner (Plagodis pulveraria) heeft een getande middenband. De appeltak (Campaea margaritaria) heeft een puntige achtervleugel en houdt de vleugels in rust helemaal gespreid.
Foto's
Rups
Pop
Vlinder
Verspreiding
Zeldzaamheid
Algemeen. Komt vooral voor op de zandgronden in het binnenland en in de duinen. RL: niet bedreigd.
België
Vrij algemeen in het hele land. De soort staat op de Rode Lijst van Vlaanderen als Momenteel niet in Gevaar (Veraghtert et al. 2023).
Mondiaal
Van de Britse eilanden naar het oosten door de gematigde zone tot Altaj en het Sajan-gebergte; in het noorden van Lapland via het schiereiland Kola tot Jakoeten, in het zuiden het noordelijk Middellandse Zeegebied, de Balkan en de Kaukasus.