Vliegtijd & gedrag
April-oktober in twee of drie generaties. De vlinders komen op licht.
Verspreiding in Nederland
Trends
De grafiek toont de populatietrend van de soort op basis van tellingen binnen het NEM‑meetnet Nachtvlinders. Wanneer de grafiek leeg is, betekent dit dat de soort in de afgelopen drie jaar op te weinig meetpunten is waargenomen om een betrouwbare trend te kunnen berekenen. Komt de soort bij jou in de buurt voor en wil je tijdens de vliegtijd eens per twee weken met een lichtval tellen en de gegevens invoeren op meetnet.vlinderstichting.nl? Stuur dan een e‑mail naar meetnet@vlinderstichting.nl om je aan te melden als teller.
Levenscyclus
Rups: mei-juni en augustus-oktober. Recent zijn er ook rupsenvondsten bekend uit Nederland. De soort overwintert als pop in de grond.
Herkenning
Kenmerken vlinder
Voorvleugellengte: 12-16 mm. Een karakteristieke uil met op de voorvleugel een opvallende witachtige of strokleurige schoudervlek die contrasteert met de aangrenzende lange zwarte strook die vanuit de vleugelwortel naar het midden van de vleugel loopt. De vleugel heeft een grijze grondkleur met bruinachtige vlekken; aan de buitenzijde van de niervlek ligt een opvallende lichtbruine vlek. Er is weinig variatie.
Gelijkende soorten vlinder
Zie de zwartstreepuil (Hyppa rectilinea).
Foto's
Rups
Pop
Vlinder
Verspreiding
Zeldzaamheid
Zeer zeldzaam. De soort wordt sinds 1990 slechts af en toe verspreid over het midden en zuiden van het land waargenomen.
België
Zeer zeldzaam. Na de eerste Belgische vangst in 1987, zijn er nu (tijdelijke) populaties in stadscentra in Antwerpen en Limburg en enkele sporadische meldingen daarbuiten (onder andere in Vlaams-Brabant). De soort staat op de Rode Lijst van Vlaanderen als Momenteel niet in Gevaar (Veraghtert et al. 2023).
Mondiaal
Nagenoeg heel Zuid-Europa, Klein- en Voor-Azië tot Israël, Irak, de Perzische Golf en de Kaukasus. In Europa verliep vroeger de noordgrens van de Loiremonding via de noordrand van het Duitse Middelgebergte tot Midden-Polen. Een tot voor kort geografisch deelareaal omvatte Noord-Denemarken, Zuid-Zweden, Zuid-Noorwegen en Zuidwest-Finland. Deze populaties vormden ssp. svendseni (Fibiger, 1990). In Midden-Europa was de soort zeldzaam en alleen aanwezig in natuurgebieden. Sinds 1980 breidt hyperici zich uit, maar de reden daarvan is niet bekend: in 1982 Zuid-Hessen (na 100 jaar afwezigheid), 1983 Noord-Frankrijk (Dept. Eure), 1984 Göttingen, 1985 Münster, 1987 België, 1988 Roergebied, 1990 Nederland, 1991 Emden, 1992 Kiel en Dept. Seine-Maritime, 1994 Berlijn (Dardenne 1994, Kristal 1983, Rennswald 1994 en 1995, Roos & Arnscheid 1992, Schroth 1989, Turck 1988, Vermandel 1992 en 1993, Wüst 1992). In de meeste gevallen bleef het niet bij een enkele waarneming.