Begin april-half oktober in twee, soms drie generaties. De vlinders komen zowel op licht als op smeer en bezoeken bloemen.
Rups: juni-oktober. De rups foerageert vooral ´s nachts. De soort overwintert als pop in een losse cocon in de grond.
Nutmeg
Meldenflureule
la Noctuelle du trèfle , la Noctuelle de l'ansérine
Discestra trifolii, Mamestra trifolii, Scotogramma trifolii, Lacanobia trifolii, Hadena trifolii, Hadena chenopodii, Hadula trifolii
De achtergrond van spurrie is onduidelijk. Leden van de ganzevoetfamilie vormen de waardplanten van deze soort en spurrie hoort thuis in de anjerfamilie.
In tuinbouwkringen heet deze soort spurrievlinder.
trifolii: Trifolium is het plantengeslacht klaver; de rups echter leeft op planten uit de ganzevoetfamilie.
(Hufnagel, 1766)
Voorvleugellengte: 14-18 mm. De voorvleugel heeft een tamelijk smalle basis en een rechte voorrand. Een belangrijk kenmerk is de duidelijke W in de lichte, zwart afgezette golflijn. De grondkleur is bruinachtig licht- tot donkergrijs of zandkleurig; de grijze of soms zwarte bestuiving zorgt voor een fijne variatie in kleurverschillen. De binnenste lob van de vrij grote niervlek is altijd donkerder dan de grondkleur van de vleugel. Het middenveld en de vleugelpunten zijn lichter gekleurd.
Tot 40 mm; lichaam varieert in kleur van groen tot purperachtig bruin; langs de rug twee bleke lengtestrepen met langs de binnenrand van elk een rij zwarte vlekjes; onder de spiracula een opvallende rozeachtige, witgezoomde lengtestreep; met uitzondering van het eerste en het laatste is elk spiraculum in een zwart vlekje geplaatst; kop groen of bruin.
De tandjesuil (Sideridis turbida) is meestal groter en steviger gebouwd; de contourlijn van de niervlek is witachtig en een duidelijke W in de golflijn ontbreekt. De schapengrasuil (Apamea furva) is bruiner en de niervlek heeft een witachtige rand. De grauwe grasuil (Apamea remissa) is groter en heeft een bredere voorvleugel. Deze drie soorten hebben tevens een bredere vleugelbasis.
Kastanjebruine uil (Xestia castanea), kooluil (Mamestra brassicae) en nunvlinder (Orthosia gothica).
De variant met zwarte streepjes op de rug lijkt ook op de huismoeder (Noctua pronuba) en de bruine variant lijkt op de grote bosbesuil (Eurois occulta).
Zeer algemeen. Komt verspreid over het hele land voor. RL: gevoelig.
Vrij algemeen in het hele land.
De soort staat op de Rode Lijst van Vlaanderen als Momenteel niet in Gevaar (Veraghtert et al. 2023).
Canarische eilanden, Noord-Afrika, de Middellandse Zeelanden en via gematigd Azië tot Oost-Siberië. Het grensverloop in het noorden: van de Britse eilanden via Scandinavië (tot de 64e breedtegraad) tot de Oeral. Verbreid in heel Europa, komt ook in Noord-Amerika voor en werd zelfs uit Zuid-Amerika gemeld.
Onderstaande grafieken tonen de verandering in de talrijkheid van de soort in de loop van de tijd. De eerste grafiek geeft het verloop over de hele periode waarvan we waarnemingen hebben. Omdat de oude gegevens vaak niet erg nauwkeurig zijn (geen aantallen) en incompleet (nadruk op zeldzame soorten) worh3 hier de presentie afgebeeld. De tweede grafiek laat het verloop zien van de prestatie van de soort in de laatste dertig jaar. Wat presentie en prestatie precies zijn, en hoe ze worden berekend kunt u lezen op de pagina De berekeningen.
Onderstaande kaartjes tonen de verspreiding binnen Nederland in vier perioden. Hoe groter en donkerder een stip, des te groter was de presentie van een soort in het desbetreffende uurhok (5x5 kilometerhok). Presentie geeft aan in welke mate een soort is over- of ondervertegenwoordigd ten opzichte van de (macronachtvlinder-)fauna als geheel. De berekeningen zijn gebaseerd op gegevens in de Nationale Databank Flora en Fauna.
Graslanden, grazige ruigten, moerasachtige plaatsen, rivieroevers, duinen en open bossen.
Diverse kruidachtige planten, waaronder melde, ganzenvoet, brandnetel en zuring.
Actualiteiten
Ontdek meerWord donateur
Steun De Vlinderstichting