Vliegtijd & gedrag
Eind juni-begin september in één generatie. De vlinders vliegen vanaf de schemering en komen later in de nacht op licht.
Verspreiding in Nederland
Trends
De grafiek toont de populatietrend van de soort op basis van tellingen binnen het NEM‑meetnet Nachtvlinders. Wanneer de grafiek leeg is, betekent dit dat de soort in de afgelopen drie jaar op te weinig meetpunten is waargenomen om een betrouwbare trend te kunnen berekenen. Komt de soort bij jou in de buurt voor en wil je tijdens de vliegtijd eens per twee weken met een lichtval tellen en de gegevens invoeren op meetnet.vlinderstichting.nl? Stuur dan een e‑mail naar meetnet@vlinderstichting.nl om je aan te melden als teller.
Levenscyclus
Rups: april-juni. De rups leeft in de stengel van de waardplant en wisselt tijdens het groeien geregeld van plant. De verpopping vindt plaats in de strooisellaag. De soort overwintert als ei.
Herkenning
Kenmerken vlinder
Voorvleugellengte: 14-16 mm. Deze tamelijk slank gebouwde uil heeft een opvallend effen voorvleugel met een doffe, grijs- of roodachtig getinte geelbruine grondkleur en een zijdeachtige glans. In de richting van de vleugelzoom wordt de vleugel donkerder en de franje heeft een koffiebruine kleur. De achtervleugel is grijs met een lichtere franje.
Foto's
Rups
Vlinder
Verspreiding
Zeldzaamheid
Algemeen. Komt verspreid over het land voor; de meeste waarnemingen komen uit het westen en noorden van het land. RL: niet bedreigd.
België
Vrij algemeen in het hele land, maar zeer zeldzaam ten zuiden van Samber en Maas. Lokaal talrijk. De soort staat op de Rode Lijst van Vlaanderen als Momenteel niet in Gevaar (Veraghtert et al. 2023).
Mondiaal
Centraal-Europa, Voor-Azië, Centraal- en Oost-Azië tot de Grote Oceaan. In Europa naar het noorden tot Midden-Engeland, Zuid-Noorwegen, Zuid-Zweden, Zuid-Finland, Petersburg. Naar het zuiden meestal zeer lokaal tot Midden-Frankrijk, Zwitserland, oostelijk Oostenrijk, Hongarije en Bulgarije. Het blijkt dat phragmitidis in uitbreiding is in Noord- en Midden-Duitsland (Heinicke 1994, Radtke 1995).