Vliegtijd & gedrag
Half mei-oktober in twee generaties. De vlinders bezoeken bloemen en komen soms op licht.
Verspreiding in Nederland
Trends
De grafiek toont de populatietrend van de soort op basis van tellingen binnen het NEM‑meetnet Nachtvlinders. Wanneer de grafiek leeg is, betekent dit dat de soort in de afgelopen drie jaar op te weinig meetpunten is waargenomen om een betrouwbare trend te kunnen berekenen. Komt de soort bij jou in de buurt voor en wil je tijdens de vliegtijd eens per twee weken met een lichtval tellen en de gegevens invoeren op meetnet.vlinderstichting.nl? Stuur dan een e‑mail naar meetnet@vlinderstichting.nl om je aan te melden als teller.
Levenscyclus
Rups: augustus-juni. Jonge rupsen leven bij elkaar in een spinsel; later rusten ze aan de onderzijde van een blad van de waardplant. De verpopping vindt plaats in een gele cocon aan de onderzijde van een blad van de waardplant.
Herkenning
Kenmerken vlinder
Voorvleugellengte: 17-20 mm. Deze uil heeft een grote waaiervormige kuif op de bovenzijde van het borststuk; verderop op het borststuk en het achterlijf zijn nog twee kuifjes zichtbaar. De kleur van de brede voorvleugel is een mengeling van bruin, grijs en goudgeel, met soms in het zoomveld een groenachtige tint. De verhouding tussen de verschillende kleuren varieert; sommige vlinders maken een lichte en vooral grijze indruk, andere zijn donkerder en overheersend bruin. De vleugelzoom is vaak iets lichter; opvallend is vooral de grote witachtige vlek in de vleugelpunt. Karakteristiek is de breed zilverachtig wit geringde vlek in het midden van de voorvleugel; deze vlek lijkt uit twee grote aaneengesloten ringvlekken te bestaan. Aan de buitenzijde hiervan bevindt zich een in het midden scherp gehoekte zwartachtige middelste dwarslijn. Soms komen exemplaren voor met een bruine voorvleugel met grote zwarte vlekken langs de achterrand.
Kenmerken rups
Tot 35 mm; een 'semi-spanrups' met slechts drie paar buikpoten; lichaam helder groen, witachtig tussen de segmenten; over de rug een donkere middenstreep en boven de lijn van de spiracula een witte lengtestreep, die in de richting van de kop onduidelijker wordt; kop glimmend groen. De jonge rupsen zijn donker grijsachtig groen met zwarte stippen.
Gelijkende soorten rups
Turkse uil (Chrysodeixis chalcites), koperuil (Diachrysia chrysitis), goudvenstertje (Plusia festucae), moerasgoudvenstertje (Plusia putnami), gamma-uil (Autographa gamma), donkere jota-uil (Autographa pulchrina), jota-uil (Autographa jota) en zilvervenster (Autographa bractea). N.B.: vergelijk behalve de uiterlijke kenmerken ook de tijd van het jaar waarin de rupsen voorkomen, het habitat en de waardplant(en).
Foto's
Rups
Pop
Vlinder
Verspreiding
Zeldzaamheid
Zeldzaam. Komt verspreid over het land voor; de meeste waarnemingen komen uit het noorden van het land. Gaat sterk achteruit. RL: bedreigd.
België
Zeer zeldzaam. Vroeger bekend uit alle Belgische provincies, maar overal verdwenen behalve in Luik. De soort staat als Regionaal Uitgestorven op de Rode Lijst Vlaanderen (Veraghtert et al. 2023).
Mondiaal
In Europa zuidelijk tot Noord-Spanje (een geïsoleerd voorkomen in de Sierra Nevada) via Zuid-Frankrijk, de zuidrand van de Alpen tot de Balkan (Macedonië, Bulgarije, Roemenië). Naar het noorden liep in de 19e eeuw de areaalgrens volgens de lijn Normandië - Weilburg - Osterode (Harz) - St. Petersburg. Na ongeveer 1870 begon een snelle uitbreiding naar het noorden en noordwesten: 1875 Denemarken, 1880 Nederland, 1882 België en 1890 Zuid-Engeland. Tegenwoordig heel Engeland, Wales, Zuid-Schotland en delen van Ierland, Zuid- en delen van Midden-Scandinavië tot Midden-Finland. In het oosten vliegt de vroeger wel als zelfstandige soort beschouwde ssp. esmeralda (Oberthür, 1880): westelijk van de voet van de Oeral, Kasan, Kirow tot de Noord-Oeral naar het zuiden de Kaukasus, het hoogland van Armenië tot Kamtsjatka, het Amoer-Oessoeri-gebied en Noordoost-China. Ondanks vroegere opgaven komt moneta niet voor in Noord-Amerika; daar vliegt alleen de separate soort P. trabea (Smith, 1895) (Mikkola, Lafontaine & Kononenko, 1991).