Eind mei, begin juni, prachtig weer, overal bloemen, maar waar zijn de vlinders? Tijdens de junidip zijn er weinig dagvlinders actief in Nederland. Een natuurverschijnsel? Of is er toch meer aan de hand?
Op de grafiek ziet het er nog niet zo dramatisch uit. Het gemiddeld aantal vlinders op de transecten van het meetnet dagvlinders stijgt vanaf begin maart tot rond de 17 exemplaren per duizend meter. Daarna begint de lijn te zakken tot rond de 13 vlinders (begin juni). Na midden juni loopt het aantal vlinders weer snel op, om in de zomer te pieken. Met 13 vlinders per duizend meter zou het dus kunnen dat je begin juni een wandeling gaat maken bij een strak blauwe lucht, en nauwelijks vlinders ziet.

Geen koolwitjes
Vlinders uit de familie van de witjes zijn normaal gesproken altijd en overal wel te zien zijn. Maar in de maand juni zijn ze er veel minder. Hoe dat kan? De voorjaarsvlinders leven niet meer. Zij hebben eitjes gelegd. De rupsen zijn nu aan het eten en verpoppen over een week of twee. Pas dan zie je de vlinders weer vliegen. Ook de tuinvlinders, zoals de dagpauwoog en de kleine vos, werkt dit zo. Daarnaast zijn vlinders die alleen in het voorjaar vliegen, zoals het oranjetipje, al verdwenen. Even is er dus niet veel te doen. Maar geen nood: midden juni verschijnen het groot dikkopje en het bruin zandoogje; de grafiek buigt weer stijl omhoog!
Junivlinders
Zijn er dan helemaal geen vlinders die juist in deze tijd vliegen? Zeker wel, zelfs een flinke groep vlindersoorten heeft zijn piek eind mei en begin juni. Sommige hiervan waren altijd al zeldzaam in Nederland (zoals het zilverstreephooibeestje), maar de moerasparelmoervlinder en het spectaculaire groot geaderd witje konden in Nederland lokaal talrijk zijn. Van het groot geaderd witje wordt zelfs beschreven dat het een plaag kon zijn in boomgaarden, waar de rupsen van de blaadjes van appels en kersen kunnen eten. Inmiddels zijn deze vlindersoorten uitgestorven in Nederland. De rode vuurvlinder was de eerste soort die in 1948 verdween.


Uitsterfgolf
Deze soorten hebben iets gemeenschappelijks: ze hebben maar één generatie per jaar en overwinteren als halfvolgroeide rups. Ze moeten dus zowel in de voorgaande zomer als in het voorjaar nog eten en groeien. Ze leven vaak op schrale, soms natte bodems, zowel in bossen (bijvoorbeeld de zilvervlek en de woudparelmoervlinder) als in vochtige graslanden (zoals de moerasparelmoervlinder en de rode vuurvlinder). Daar ging het mis. Al in het midden van de 20e eeuw werd het leefgebied zo schaars, dat de ene na de andere soort verdween. De grootschalige ruilverkavelingen gaven een volgende zet. Uiteindelijk ging deze uitsterfgolf door tot het einde van de jaren 1980, toen het tweekleurig hooibeestje verdween van de Veluwe.
Sindsdien is het in Nederland begin juni stil op dagvlindergebied. Maar dat was dus niet altijd zo. En ook niet overal: wie begin juni naar de Ardennen of de Eifel gaat ziet juist al deze bij ons verdwenen vlinders vliegen en kan zo de junidip doorkomen.