Vlinders en het microklimaat
Wat is een macro-, meso- en microklimaat?
Klimaat heb je op verschillende niveaus. Als er over ‘het klimaat’ wordt gesproken, wordt meestal het macroklimaat bedoeld. Het macroklimaat is het gemiddelde weer over een groot gebied gedurende dertig jaar. Het macroklimaat van Nederland noemen we een gematigd zeeklimaat.
Wanneer je naar het klimaat van een veel kleiner gebied gaat kijken, bijvoorbeeld een bos, spreken we van een mesoklimaat. Het klimaat in het bos is namelijk anders dan het klimaat buiten het bos, want het waait in het bos bijvoorbeeld minder hard dan erbuiten.
Je kunt zelfs kijken naar het klimaat van één enkele boom: de zuidkant van de stam is bijvoorbeeld warmer en droger dan de noordkant. Dit niveau noemen we het microklimaat.
Wanneer we het over ‘klimaatverandering’ hebben, bedoelen we veranderingen in het macroklimaat. Maar veranderingen op die schaal hebben natuurlijk ook invloed op het mesoklimaat en het microklimaat.
Effecten op vlinders
Voor de vlinders zelf is vooral het mesoklimaat belangrijk. Het mesoklimaat zorgt ervoor dat een bepaalde vlindersoort in een gebied kan voorkomen. De temperatuur binnen dit mesoklimaat bepaalt bijvoorbeeld of vlinders op een bepaald moment gaan vliegen of niet. Wanneer de gemiddelde temperatuur van het gebied te hoog of te laag wordt, kunnen bepaalde vlindersoorten daar dan ook niet meer voorkomen.
Het oranjetipje is afhankelijk van de bloeiperiode van de pinksterbloem
(Foto: Nicole Gardenier).
Effecten op rupsen
Voor de eitjes, rupsen en poppen van vlinders is vooral het microklimaat van belang. Iedere rupsensoort heeft zijn eigen voorkeur voor een bepaald microklimaat. Maar wanneer het macroklimaat te veel verandert, kan het benodigde microklimaat op een bepaalde plek verdwijnen. De vlindersoort zal dan een andere plek moeten zoeken om te overleven, maar dit is niet altijd mogelijk en daardoor kunnen soorten (lokaal) verdwijnen.
Het microklimaat is afhankelijk van het macroklimaat, omdat dat invloed heeft op de vegetatie van het gebied. Eén van de factoren van de klimaatverandering is het stijgen van de gemiddelde jaarlijkse temperatuur. Dit houdt onder andere in dat het aantal warme dagen in het jaar toeneemt, waardoor het groeiseizoen van planten verlengd wordt en de vegetatie kan veranderen.
Voor gras betekent dit bijvoorbeeld dat er in plaats van een open grasvegetatie een dichte grasmat ontstaat. Aangezien de zon minder makkelijk tot onderin een dichte grasmat kan doordringen, is het onderin een dichte grasmat vaak koeler dan in een open grasvegetatie. Hierdoor kan het uiteindelijke microklimaat voor een rups die in het gras leeft bij een temperatuurstijging dus zelfs koeler worden.
Sommige vlindersoorten, zoals de kleine heivlinder, stellen hele specifieke eisen aan het microklimaat. Voor de kleine heivlinder moet het microklimaat een landklimaatkarakter hebben. Een landklimaat is een klimaat met extreme temperaturen in de winter en de zomer. Hier komen vaak ook veel stuifzandgebieden voor. Doordat het relatief droge landoppervlak van een stuifzandgebied makkelijk opwarmt en afkoelt, worden de temperaturen in de zomer zeer hoog en in de winter zeer laag. Het stuifzandgebied heeft bij voorkeur een steppeachtige lage begroeiing (veel grassen) waarin hier en daar wat struikheide staat. In Nederland komt de kleine heivlinder alleen nog voor in enkele stuifzandgebieden van de Zuid-Veluwe. Door klimaatverandering groeien stuifzanden echter sneller dicht, waardoor de extreme temperaturen die de kleine heivlinder nodig heeft, minder vaak voorkomen.
De rups van de kleine heivlinder stelt heel specifieke eisen aan haar microklimaat (Foto: Albert Vliegenthart).
Onderzoeksvragen
Mogelijke onderzoeksvragen voor een werkstuk over vlinders of rupsen en het microklimaat zijn:
- Welke consequenties heeft een veranderend microklimaat voor rupsen?
- Hoe verschilt de voorkeur voor een bepaald microklimaat per vlindersoort?
Activiteit
Voor dit onderzoek kun je koolwitjes bestellen bij De Vlinderstichting.
Je kunt ook zelf buiten op zoek gaan naar rupsen, maar dan is de kans groot dat de rupsen geparasiteerd zijn en zich niet (goed) ontwikkelen. Wanneer je buiten rupsen gaat verzamelen om binnen onderzoek mee te doen, zorg er dan voor dat het rupsen van dezelfde soort zijn en dat je ook wat van de plant meeneemt waar je de rups op hebt gevonden. Dit is namelijk de voedselplant (waardplant) van de rups.
Voor dit onderzoek zou je bijvoorbeeld de rupsen over verschillende bakken kunnen verdelen en ervoor kunnen zorgen dat iedere bak zijn eigen microklimaat krijgt (door ze op verschillende plaatsen in huis/op school te zetten). Op deze manier kun je de ontwikkelingen van de rupsen in de gaten houden en zo nodig zelf ook het microklimaat beïnvloeden.
Je weet nu wat de invloed van klimaatverandering kan zijn op vlinders en rupsen. Bedenk eens wat jij kunt doen om de negatieve effecten van klimaatverandering tegen te gaan en zo rupsen een handje te helpen! Zie ook stap 3 van het stappenplan.
Type onderzoek
Experimenteel.
Geschikt moment
De koolwitjes van De Vlinderstichting zijn vanaf maart tot eind september te bestellen. Zorg ervoor dat je er op tijd bij bent, want ze zijn heel populair! Vooral in mei zijn ze snel uitverkocht. Wanneer je zelf op zoek gaat naar rupsen, heb je de meeste kans in de maanden mei, juni, augustus en september.
Meer informatie
Onderzoek naar rupsen
Rupsen verzorgen
Het weer en vlieggedrag van vlinders
Een ander onderwerp dat te maken heeft met het macro-, meso- en microklimaat en vlinders is de invloed van het weer op het vlieggedrag van vlinders. Voor de volwassen vlinders is het mesoklimaat vooral belangrijk. Het mesoklimaat zorgt ervoor dat een bepaalde vlindersoort in een gebied kan voorkomen. De temperatuur binnen dit mesoklimaat bepaalt of vlinders op een bepaald moment gaan vliegen of niet. Vlinders zijn namelijk koudbloedig, ze kunnen hun lichaamstemperatuur niet zelf op een constant niveau houden. Ze hebben dus zonnewarmte nodig om hun vliegspieren op te warmen, zodat ze kunnen vliegen. Om op te warmen gebruiken dagvlinders hun vleugels als zonnecollectoren. Het moment waarop ze gaan vliegen in het voorjaar of in de zomer is dan ook voor een groot deel afhankelijk van de temperatuur en de zon in hun leefgebied; het mesoklimaat dus.
Iedere vlindersoort heeft zo zijn eigen grenzen waarbinnen de temperatuur moet vallen; dit wordt ook wel temperatuurtolerantie genoemd. Wanneer de temperatuur buiten deze grenzen valt, zul je de vlinder niet zien vliegen. In het algemeen kun je zeggen dat vlinders die in het bos voorkomen een kleinere temperatuurtolerantie hebben dan vlinders die in open gebieden voorkomen. Bosvlinders hebben de combinatie van zon en schaduw nodig om hun temperatuur op het juiste peil te houden.
Onderzoeksvraag
Een mogelijke onderzoeksvraag bij dit onderwerp is:
- Welk effect zal de toekomstige klimaatverandering, met name de temperatuurverandering, hebben op het vlieggedrag van vlinders?
Activiteit
Zoek uit wat de voorspellingen zijn voor het toekomstige klimaat in Nederland en onderzoek buiten bij welk weertype vlinders vliegen. Hierbij kun je onderscheid maken tussen vlindersoorten en bepaalde leefgebieden (bosrand, berm, stadspark, tuin etc.) waarvan je weet dat daar vlinders leven.
Je weet nu wat de invloed van klimaatverandering kan zijn op vlinders en rupsen. Bedenk eens wat jij kunt doen om de negatieve effecten van klimaatverandering tegen te gaan en zo rupsen een handje te helpen! Zie ook stap 3 van het stappenplan.
Type onderzoek
Veldwerk
Theoretisch
Beschrijvend
voorspellend
Geschikt moment
Dit onderzoek is vooral in mei en juli/augustus/september(!) goed te doen, omdat dan de meeste vlinders vliegen.
Meer informatie
Vlinders herkennen
Onderzoek naar vlinders
Levenscyclus en bouw van vlinders
Andere thema’s