April-oktober in meerdere generaties; soms ook in de wintermaanden een waarneming. De vlinders vliegen zowel overdag als ´s nachts; ze komen goed op licht en in mindere mate op smeer. Overdag en in de schemering bezoeken ze geregeld bloemen, waarbij ze soms heftig met hun vleugels trillend op een blad of bij een bloem zitten. Hierdoor worden ze wel verward met de kolibrievlinder.
Rups: mei-november. De ontwikkelingssnelheid van de rups is sterk afhankelijk van de temperatuur. De verpopping vindt plaats in een glanzende zilverkleurige cocon tegen een blad van de waardplant. De soort overwintert in zachte winters soms in Nederland als volgroeide rups of als pop.
Silver Y
Gammaeule
le Lambda , le Gamma
pistooltje
Plusia gamma, Phytometra gamma, Autographa messmeri, Autographa voelkeri
Gamma-uil is een al lang bestaande naam die al gebruikt wordt door Ter Haar in 'Onze vlinders' (begin vorige eeuw). Ter Haar noemde deze soort ook pitooltje.
Het witte teken op de voorvleugel lijkt op de Griekse letter gamma.
Autographa: autographos is met eigen hand geschreven; naar de lettertekens (gamma, jota e.d.) die de soort zelf op zijn vleugels heeft geschreven.
gamma: gamma naar de metaalkleurige Griekse letter gamma op de voorvleugel. Linnaeus noemt dit goud, geen zilver.
(Linnaeus, 1758)
Voorvleugellengte: 13-21 mm. Net als de verwante soorten houdt deze uil in rust de vleugels dakvormig omhoog. Op de bovenkant van het borststuk bevindt zich een opvallende kuif en verder naar achteren zijn twee kleinere kuifjes zichtbaar. De voorvleugel is bruin en grijs gemarmerd en heeft soms een paarsachtige tint. Aan de buitenzijde van de buitenste dwarslijn bevindt zich een breed naar de binnenrand uitlopende licht gekleurde veeg. Het belangrijkste kenmerk is de opvallende zilverkleurige ongebroken Y-vormige vlek in het midden van de voorvleugel. Zowel de grootte van de vlinder als de kleur van de voorvleugel kunnen sterk variëren.
Tot 25 mm; een 'semi-spanrups' met slechts drie paar buikpoten; lichaam varieert in kleur van geelachtig groen tot blauwachtig groen of donker groenachtig grijs; de rug heeft een tekening van fijne witte streepjes en ringetjes en over de spiracula loopt een witte of geelachtige lengteband; kop gewoonlijk groen met aan weerszijden een karakteristieke zwarte streep, die echter ook kan ontbreken, terwijl de kop ook geheel zwart kan zijn.
Kleine exemplaren kunnen worden verward met de ni-uil (Trichoplusia ni); bij deze soort is de Y-vormige vlek echter in tweeën gebroken. De zilverkleurige vlek op de voorvleugel van de getekende gamma-uil (Macdunnoughia confusa) loopt via een dunne lijn door tot aan de binnenrand van de vleugel. De donkere jota-uil (A. pulchrina) en de jota-uil (A. jota) zijn meer roodachtig van kleur. De schijn-gamma-uil (Syngrapha interrogationis) is zwarter en sierlijker getekend.
De gamma-uil wordt qua gedrag ook wel enigszins verward met de kolibrievlinder. De gamma-uil kan ook met trillende vleugels voor een bloem vliegen, maar lijkt toch minder op een kolibrie dan de kolibrievlinder die echt stilstaat in de lucht waarbij je de vleugelslag nauwelijks kunt volgen. Bovendien vind je de gamma-uil eerder laag in de vegetatie en zie je de kolibrie-vlinder eerder hoog in de vegetatie.
Turkse uil (Chrysodeixis chalcites), koperuil (Diachrysia chrysitis), gelduil (Polychrysia moneta), goudvenstertje (Plusia festucae), moerasgoudvenstertje (Plusia putnami), donkere jota-uil (Autographa pulchrina), jota-uil (Autographa jota), zilvervenster (Autographa bractea) en jonge rupsen van de getekende gamma-uil (Macdunnoughia confusa).
N.B.: vergelijk behalve de uiterlijke kenmerken ook de tijd van het jaar waarin de rupsen voorkomen, het habitat en de waardplant(en).
Zeer algemeen. Een trekvlinder uit het Middellandse Zeegebied, die verspreid over het hele land kan worden waargenomen.
Zeer algemeen. Een trekvlinder die soms enorm talrijk kan zijn.
De soort is als trekvlinder geclasssicifeerd en daarmee niet opgenomen op de Rode Lijst van Vlaanderen (Veraghtert et al. 2023).
Noord-Afrika, Europa en Azië met uitzondering van de zuidoostelijke delen. Als trekvlinder bereikt gamma de noordelijkste delen van Scandinavië, IJsland en Groenland. Waar de noordgrens ligt van de standvlinders is nog niet bekend. Hacker (1989) vermoedt: 'de grens waarvan zuidelijk de gamma in gunstige jaren kan overleven ligt ongeveer langs de kusten van de Oost- en de Noordzee'.
Onderstaande grafieken tonen de verandering in de talrijkheid van de soort in de loop van de tijd. De eerste grafiek geeft het verloop over de hele periode waarvan we waarnemingen hebben. Omdat de oude gegevens vaak niet erg nauwkeurig zijn (geen aantallen) en incompleet (nadruk op zeldzame soorten) worh3 hier de presentie afgebeeld. De tweede grafiek laat het verloop zien van de prestatie van de soort in de laatste dertig jaar. Wat presentie en prestatie precies zijn, en hoe ze worden berekend kunt u lezen op de pagina De berekeningen.
Onderstaande kaartjes tonen de verspreiding binnen Nederland in vier perioden. Hoe groter en donkerder een stip, des te groter was de presentie van een soort in het desbetreffende uurhok (5x5 kilometerhok). Presentie geeft aan in welke mate een soort is over- of ondervertegenwoordigd ten opzichte van de (macronachtvlinder-)fauna als geheel. De berekeningen zijn gebaseerd op gegevens in de Nationale Databank Flora en Fauna.
Deze soort kan overal worden aangetroffen; wordt ook geregeld in tuinen waargenomen.
Allerlei kruidachtige waardplanten, waaronder braam, walstro, klaver, brandnetel en landbouwgewassen zoals aardbei, tomaat, aubergine, erwt, kool en boon.
Kool
Brassica
Bosaardbei
Fragaria
Walstro
Galium
Vlasbekje
Linaria
Braam
Rubus
Nachtschade
Solanum
Klaver
Trifolium
Brandnetel
Urtica
Word donateur
Steun De Vlinderstichting