Aan de rand van de Noordoostpolder, tegen Friesland en Overijssel aan, ligt het Kuinderbos. De naam komt van het voormalige Zuiderzeestadje Kuinre, dat aan de rand van het bos ligt. Het bos is aangelegd na de drooglegging in de jaren vijftig en is nu het grootste bos van de provincie Flevoland.
In de eerste decennia groeiden de bomen er hard, maar door de regelmatige stormen ontstonden grote open delen in het landschap. Dit versterkte de toch al aanwezige variatie. Vanaf 2005 is het beheer aangepast en worden veel bospaden kleinschalig open gehouden, zodat er prachtige vlindercorridors ontstaan. In het Kuinderbos zijn, behalve natuurlijk bos, ook graslanddelen, heidevegetaties en veel wateren aanwezig. De Kuinderplas is een grote en diepe waterpartij. Verspreid in het bos liggen ook veel poelen die, door hun goede waterkwaliteit, erg geschikt zijn voor libellen.
Het Kuinderbos is erg vlinderrijk. Behalve dat er jaarlijks zo’n dertig verschillende soorten worden gezien, zijn vooral de aantallen van de individuele soorten spectaculair. Tientallen tot honderden oranjetipjes in het voorjaar en erg veel landkaartjes en koevinkjes in de zomer. Als het koninginnenkruid bloeit, zijn daar ook honderden ‘kroeglopers’ op te vinden zoals dagpauwoog, kleine vos en atalanta.
Bos met open plekken, zonnige bosranden, de grote plas, vennen, moerassig terrein en zelfs een beek maakt het Kuinderbos een ideaal leefgebied voor libellen. Er zijn inmiddels 50 soorten libellen gezien waarmee het Kuinderbos tot de meest libellenrijke gebieden van Nederland hoort. Onder deze libellen zijn een aantal zeldzame en bijzondere libellen zoals de noordse winterjuffer, gevlekte glanslibel en gevlekte witsnuitlibel. Staatsbosbeheer houdt in het beheer nadrukkelijk rekening met libellen en het gebied is goed toegankelijk, zodat mensen ook van de libellenrijkdom kunnen genieten. Daarom is het Kuinderbos in 2011 uitgeroepen tot derde libellenreservaat van Nederland (het eerste was Wyldemerk en het tweede Ravenvennen).
Zeldzame vlinders in dit gebied

Sinds kort komt in het Kuinderbos ook de kleine ijsvogelvlinder voor. Dit is een typische soort van vochtige bossen. De rups leeft op kamperfoelie, een plant die voornamelijk voorkomt in vochtige bossen.
Foto: Chris van Swaay
Maar daarmee is het nog niet klaar: de rupsen hebben kamperfoelie nodig die half in de schaduw staat in flink vochtige omstandigheden. Als vlinder heeft de soort veel nectar nodig en rust ze graag op zonnige plekjes. Door het kleinschalige beheer van de bosranden en -paden heeft Staatsbosbeheer het ideale leefgebied gecreëerd, iets wat de kleine ijsvogelvlinder gelukkig heeft ontdekt.
Bijzondere libellen in dit gebied

Er zijn maar twee soorten libellen die als volwassen libel de winter doorkomen, en een daarvan leeft in het Kuinderbos: de zeldzame noordse winterjuffer. Deze libel is aan het einde van de zomer te zien en gaat daarna in winterrust. Om te voorkomen dat hij bevriest, heeft hij een soort antivries in zijn lichaam.
Foto: Henk Bosma
Tijdens de eerste mooie dagen van het vroege voorjaar, wanneer de zon warm genoeg is om de vliegspieren op te warmen, zijn de eerste noordse winterjuffers alweer actief. Ook de voortplanting vindt vroeg in het voorjaar plaats, waardoor ze vaak ver voor het verschijnen van andere libellensoorten al bij de waterkant te vinden zijn. Op deze manier hebben ze weinig last van concurrentie bij het zoeken naar voedsel en uitkijkpunten.

De poelen die verspreid in het Kuinderbos liggen, zijn zeer libellenrijk. Zo zijn er de afgelopen jaren maar liefst vier soorten witsnuitlibellen voortplantend aangetroffen. De gevlekte witsnuitlibel is de meest voorkomende; dit is een zeldzame soort die ook Europees beschermd is.
Foto: Henk Bosma
De larven leven, voordat ze uitsluipen, twee jaar tussen waterplanten in de oeverzone van plassen en poelen. De libel zelf kun je vooral te zien krijgen in mei en juni.